Visie

Erfgoededucatie op school

 

Cultureel erfgoed kun je op verschillende manieren gebruiken in de les. Voordat je een project gaat ontwikkelen, moet je je afvragen welke doelen je daarmee wilt bereiken. Lesdoelen onderscheiden we meestal in leerdoelen en affectieve doelen: wat moeten de leerlingen kennen (ook wel: cognitieve doelen) en kunnen (vaardigheden) aan het eind van dit project én wat wil je bereiken op het gebied van houding: wil je interesse kweken in het onderwerp, moeten ze er waardering voor krijgen, er liefde voor gaan voelen? Dat zijn de affectieve doelen.

Inleven

Deze laatste vraag zal een leraar natuurkunde zich misschien minder vaak stellen dan een leraar geschiedenis. Natuurlijk wil elke docent graag dat zijn leerlingen interesse hebben voor zijn onderwerp. Geschiedenis is echter een vak, waarbij het vermogen om je in te leven in andere mensen in andere tijden, een essentiële voorwaarde is voor het leren van belangrijke vaardigheden als ‘historisch denken’ en het begrijpen van ‘multiperspectiviteit’. En om je in te kunnen leven, moet je je open stellen. Dat lukt niet als je een afwijzende houding hebt met betrekking tot het onderwerp.

Waardering

Ook bij de kunstvakken zijn de lesdoelen vaak affectief: van de leerlingen wordt verwacht dat ze een eigen smaak ontwikkelen, en dat kunst gevoelens bij hen opwekt die ze kunnen verwoorden. Tegelijk wordt ernaar gestreefd dat de leerlingen waardering krijgen voor kunst.
Erfgoededucatie is wat (les)doelen betreft een vak dat staat tussen geschiedenisonderwijs en de kunstvakken in. Met erfgoededucatie willen we de leerlingen iets leren over het verleden (cognitief doel), tegelijkertijd willen we dat ze waardering krijgen voor het erfgoed (affectief doel). Bovendien, en dan wordt het ingewikkeld, willen veel educatoren - maar niet alle - dat leerlingen inzien dat het bij erfgoed meer gaat om de verhalen áchter de voorwerpen dan om de voorwerpen zelf. Deze educatoren benadrukken dat erfgoed niet hetzelfde is als geschiedenis. Erfgoed (voorwerpen, gebouwen, tradities) is het resultaat van een onderhandelingsproces tussen mensen. Wat bewaren we, is de vraag, maar ook: hoe bewaren we het, hoe restaureren we het, hoe stellen we het tentoon, hoe vieren we die traditie, wat mag daarin veranderen en wat niet en wie beslist dat?

Erfgoeduitingen

Deze educatoren willen, net als hun collega’s van de kunstvakken, dat leerlingen begrijpen dat een voorwerp of ‘erfgoeduiting’ méér is dan je met het blote oog kunt zien. Zowel kunst- als erfgoeduitingen zijn mensenwerk. En iedereen heeft recht op zijn eigen interpretatie, zo vertellen we de leerlingen. Dat is niet altijd helemaal waar, want, ja, de leerling mag zijn eigen mening geven, maar vaak toch wel binnen het kader van de geautoriseerde verhalen. Zo wordt bij een project over slavernij naar de mening van de leerlingen gevraagd; maar het is niet de bedoeling dat ze opschrijven dat slavernij iets goeds is. Ook bij minder beladen onderwerpen speelt dit dilemma. Als je doel is om respect te kweken voor het plaatselijk erfgoed, dan moet je aanvaarden dat je een spanning creëert met het onderdeel ‘eigen mening geven’.

Bron, erfstuk, verschijnsel

Als je dus een erfgoedproject gaat ontwikkelen, is het belangrijk dat je je ervan bewust bent hóe je het erfgoed gaat gebruiken in de les. Wil je dat de leerlingen zich inleven in het verleden om op die manier meer begrip en kennis op te doen? Dan gebruik je erfgoed als bron bij de geschiedenisles. Wil je daarbij ook dat de leerlingen waardering krijgen voor het erfgoed, omdat dat goed is voor hun persoonlijke ontwikkeling; en wil je dat deze waardering de leerlingen ertoe aan zal zetten dat ze zelf later voor het erfgoed willen zorgen en het willen bewaren? Dan zet je het erfgoed in als erfstuk. Wil je, ten slotte, vooral duidelijk maken dat erfgoed het resultaat is van een onderhandelingsproces, en wil je die processen onderzoeken, dan zet je erfgoed in als verschijnsel.

Wil je het bovenstaande schema gebruiken? Je kunt het hier downloaden.